Pietje Durks Offringa



Marrum



Een markante vrouw uit het begin van de 20e eeuw was de in ca. 1905 te Westernijkerk (?) geboren Pietje Offringa. Ze was de jongste van het uit zes kinderen bestaande gezin van Durk Durks Offringa en Durkje Minnes Zijlstra. Pietje kenmerkte zich als een kordate, zelfstandige en bepaald niet op haar mondje gevallen vrouw. Voorloopster van de emancipatie?!

Op 18-jarige leeftijd zwierf ze zeven maanden lang door de Verenigde Staten waar ze op bezoek ging bij drie van haar naar Iowa geëmigreerde broers.

In 1927 werd zij opgeroepen om te getuigen voor de kantonrechter te Dokkum (*). Daar werd in september 1927 een zaak behandeld tegen de toen 58-jarige veehouder Jan Oeges Monsma (1869-1939) uit Rinsumageest. Hij was wijd en zijd bekend als "it boerke fan Rinsumageast" en vele honderden patiënten hadden baat gevonden bij zijn geneeswijzen. Maar ja, het mocht niet en het had hem al twee keer eerder fl. 300 boete gekost. Kennelijk kon het ondanks de boetes toch uit en moest hij opnieuw voor het gerecht verschijnen.
Hem werd een aantal zaken ten laste gelegd, waaronder het feit dat hij op of omstreeks 28 april 1927 Pietje Offringa had behandeld. Zij had iets aan haar knie. Monsma had haar "water bekeken" en vervolgens tegen betaling medicijnen verstrekt voor zowel inwendig als uitwendig gebruik. Als eerste getuige in deze zaak moest Pietje Offringa zelf, 22 jaar en winkelierster te Marrum, voorkomen. Er volgde een amusant vraag en antwoordspel tussen de kantonrechter en Pietje.

Op de vraag of zij getrouwd is antwoordt Pietje, "Gelokkich net!" En bent u familie van de verdachte? "Nee, wie dat mar wier". Bent u wel eens bij de verdachte thuis geweest? "Jawol". Waarom? "Omdat ik net goed wie". Wat scheelde er dan aan? "Fan alles". Wanneer? "Dat wit ik net mear". Ongeveer dan? "Miskien in heal jier lyn". Kunt u ook Hollands praten? "Jawol, moat dat?! No, ik werd ziek, had dokter maar ’t werd altijd minder zonder beterschap en toen naar Monsma. Naast God heb ik aan hem mijn beterschap te danken". Had u water bij u? "Ja". En heeft verdachte daar naar gekeken? "Ja". Wat zei hij toen? "Het kwam wel weer in orde". En heeft hij u toen raad gegeven? "Ja, een lepel lijnzaad, een ½ lepel kamillezaad en een lepel karweizaad laten trekken en daarvan innemen". En heeft hij u niets meegegeven? "Ja, later een drankje om in te nemen. Met dit resultaat, dat ik God dank dat Monsma er is en een zegen is voor Nederland". Maar hebt u ook niet iets aan de knie gehad? "Ja". Hoe wist hij dat? Dat zag hij zomaar aan het water". Heeft hij ook geld gevraagd? "Nee, maar ik gaf hem wel wat". Wat gaf u dan? "Telkens een gulden". Bent u aangehouden door de rijksveldwachter Klazema, van Ferwerd, toen u bij verdachte vandaan kwam? "Ja". Waarmee het verhoor was beëindigd. Een tweede getuige kwam niet opdagen. Tegen Monsma werd 300 gulden boete of 50 dagen hechtenis geëist.
Ondanks het pleidooi van de verdediger (mr. R. Pollema uit Leeuwarden) en het getuigenis van Pietje kon niet worden voorkomen dat Monsma werd veroordeeld tot fl. 75 boete of 25 dagen hechtenis. Het vonnis werd gebaseerd op de volgende overwegingen: "dat verdachte zonder wettelijke bevoegdheid de geneeskunde heeft uitgeoefend door het aanbevelen van polkawater en zout aan Pietje Offringa en het nazien van de urine en betaling heeft aangenomen ; overwegende, dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft bekend dus geld heeft aangenomen voor handelingen waarvoor hij geen wettelijke bevoegdheid bezat ; overwegende dat Pietje Offringa als getuige verklaart, meermalen bij verdachte te zijn geweest ; overwegende, dat vroeger door verdachte fl. 600 is betaald als afkoopsom ; overwegende, dat de bezwaren niet ontzenuwd zijn door getuigen à décharge ; overwegende, dat verdachte strafbaar is ; overwegende echter, dat veel lager straf moet worden opgelegd dan door den ambtenaar van het O.M. gevraagd is en dat verdachte grotendeels erkend heeft het feit te hebben begaan".

Echter, velen zullen zich Pytsje Offringa vooral herinneren als de fameuze, sigaren rokende vrouwelijke taxichauffeur. In 1953 was er sprake van "singulier" jubileum waar de Leeuwarder Courant een artikel (**) over schreef met als kop, "Chauffeurske" van Marrum dertig jaar achter ’t stuur". Het was 30 jaar geleden dat Pytsje Offringa, dochter van winkelman en raadslid Durk Offringa, haar taxibedrijf was begonnen. Aanvankelijk met de auto, een nogal vierkant geval, waarmee haar vader de winkelwaren rondbracht. Later, zoals in 1953, met een gerieflijke, glimmende en gestroomlijnde, donkerrode Pontiac.

De zaken liepen goed, dagelijks zoefde Pytsje door de provincie of tot ver buiten de landsgrenzen voor een ritje naar Brussel.
Ze reed passagiers die zondags op visite gingen, bruidsparen en "begrafenisgangers". Tientallen Marrumers werden door haar ten doop gereden, maar ook kooplui werden vroeg in de ochtend door haar naar de markt in Leeuwarden gebracht. Men kon zich met een gerust hart aan Pytsje toevertrouwen.
In al die jaren met gladde wegen of donkere stormachtige nachten, het stuur was veilig in de handen van deze kordate vrouw. Met als motto "better fiif minuten te let te plak, as it sikehûs yn" is haar nooit een ongeluk overkomen.

Nadat haar gezondheid verslechterde, verbleef zij nog enkele jaren in het rusthuis "Foswert" waar zij op 5 april 1976 overleed en op het kerkhof te Westernijkerk werd begraven.

 




*
  Archief Leeuwarder Courant 13, 14 en 27 september 1927
** Archief Leeuwarder Courant 17 september 1953