BEENDERENDELVERS

1852


 




Rond 1850 heerste er in ons land een besmettelijke longziekte onder het rundvee. We kunnen over deze ziekte lezen in de Leeuwarder Courant uit die tijd. Gedeputeerde Staten lieten wekelijks een publicatie plaatsen, waarin het aantal aangegeven ziektegevallen werd vermeld. Verder werd dan meegedeeld in welke gemeenten de ziekte voorkwam en de hoeveelheid runderen, die na toestemming van de eigenaar, waren gedood. In december 1851 waren al bijna 6000 koeien in Friesland op deze manier gedood en begraven. Evenals tegenwoordig was er een vergoedingsregeling van de overheid. Het was destijds de gewoonte dat de kadavers werden begraven in de wegen in en rondom de dorpen. Verder werden de erven van de boerderijen als begraafplaats gebruikt. Het opgraven van de beenderen en het verkopen ervan was echter verboden.

Ook het boek 'Kroniek van een Friese boer', dat aantekeningen bevat van Doeke Wygers Hellema te Wirdum, geeft informatie over het verloop van de rundveeziekte en het opgraven van beenderen. Op 24 maart 1842 schreef boer Hellema in zijn dagboek dat men in Engeland de gewoonte had om het bouwland met beenderen te bemesten. Een en ander had ten gevolg dat door 'gemeene lieden' in ons land op boerenerven, na toestemming van de boer, beenderen werden opgedolven van daar begraven kadavers. Deze botten waren afkomstig van gedood rundvee, dat in het verleden aan een besmettelijke ziekte had geleden. Via verscheidene handelaren kwamen ze dan uiteindelijk in Engeland terecht. Volgens Hellema was bij een boer in Wirdum voor een waarde van 80 gulden opgegraven. Ondanks het verbod werd hier kennelijk in 1842 niet tegen opgetreden.

Tien jaar later, in 1852, lag dat in Ferwerderadeel en Westdongeradeel heel anders. Ongeveer 140 personen uit Hallum, Ferwerd, Marrum, Blija en Holwerd werden in februari en maart door een veldwachter op de bon geslingerd. De rechterlijke instanties konden wat sneller uit de voeten dan heden ten dage, want voor 1 april 1852 waren alle overtreders al veroordeeld. De beklaagden verklaarden op de rechtszitting dat ze het hadden gedaan uit armoede. Ze werden allemaal veroordeeld tot twee of vier dagen gevangenisstraf ter zake van:'het opdelven van beenderen of andere dierlijke overblijfselen, mitsgaders het verkopen en verbruiken van de alzo opgedolven voorwerpen'.
Het was de overtreding van een verbod ingesteld bij Koninklijk Besluit van 16 juli 1839. Naast de gevangenisstraf moesten de veroordeelden ook nog de kosten van het proces betalen, welke bedragen varieerden van twee tot acht gulden.

Het valt op dat er veel minderjarigen onder de overtreders waren. Zelfs voor Cornelis Sijtses Zoodsma uit Marrum, nog maar 10 jaar oud, was geen pardon. Evenals de rest moest hij 4 dagen de bak in. De rechtbank oordeelde echter dat de minderjarigen hadden gehandeld met oordeel des onderscheids. Met andere woorden: ze hadden kunnen weten dat het niet mocht. Inmiddels zijn wij ruim 4 generaties verder in de tijd gekomen. Het is niet onmogelijk dat deze gebeurtenis nog bij overlevering rondom Ferwerd bekend is. Een reactie zou 'nijsgjirrich' zijn.

Gestraften kwamen uit de volgende plaatsen: Ferwerd, Birdaard, Blija, Marrum, Holwerd, Genum, Nijkerk (Westernijkerk ?), Wierum, Aalzum, Bergum, Hogebeintum, Waaxens, Visvliet, Leeuwarden, Hallum, en Wanswerd.

Veroordeeld werden de volgende personen:

  Andrae - Hamstra
  Hansma - Papma
  Postma - Zwart


Met dank aan de samensteller, dhr. D.R. Wildeboer en dhr. H. Hietkamp uit Drachten () die de vonnissen heeft ontdekt.
Tevens dank aan de Historische Vereniging Noordoost Friesland te Dokkum