LA GRANDE ARMEE

 


Terugtocht uit Moskou.



Bij decreet van 9 juli 1810 lijfde Napoleon het koninkrijk Holland in bij zijn keizerrijk. Zijn broer Lodewijk Napoleon was daar sedert 1806 koning. Deze wenste echter niet naar de pijpen van zijn keizerlijke broer te dansen. Zo traineerde Lodewijk Napoleon de invoering van de dienstplicht. Die kwam er in feite op neer dat hij troepen moest leveren voor het leger van Napoleon. Niet altijd kon hij de wensen van zijn keizerlijke broer negeren. Zo leverde hij een brigade van 3.000 man voor de oorlog van Napoleon in Spanje. Zij schijnen daar nog de Tachtigjarige Oorlog in een bestek van enkele jaren te hebben overgedaan. Helaas keerden er weinigen terug. Ook liet Lodewijk Napoleon oogluikend de handel met Engeland, de aartsvijand van broer Napoleon, toe. Het lag voor de hand dat de broers ruzie kregen, waarbij Lodewijk Napoleon aan het kortste eind trok. Het is tussen de broers Bonaparte nooit meer goed gekomen.

De inlijving bij het Franse keizerrijk betekende ook dat hier de Franse wetgeving van toepassing werd. Daaronder de wet op de dienstplicht (conscriptie). In Frankrijk bestond de dienstplicht al sedert 5 september 1798. Napoleon maakte met de invoering van de dienstplicht een einde aan de al eeuwenlang in ons land bestaande situatie: landmacht en marine bestonden uitsluitend uit vrijwilligers, te weten huurlingen. Het leger van het Koninkrijk der Nederlanden was reeds spoedig na de inlijving in het Franse leger opgenomen. De Koninklijke Garde zelfs op de dag van de inlijving.
Bij Organiek Besluit van 18 oktober 1810 kondigde Napoleon de invoering van de dienstplicht aan. Voor de marine zou een aparte regeling gelden, de zogenaamde maritieme inscriptie. Napoleon had namelijk geen hoge dunk van de Nederlandse soldaat maar wel van de zeeman. Deze maritieme inscriptie gold voor mannen in de leeftijd van 24 tot 49 die het beroep van zeeman of visser uitoefenden. In de praktijk werd dat nogal ruim geïnterpreteerd. Ook de schippersknecht viel vaak in de prijzen. De militaire dienstplicht gold voor mannen in de leeftijd van 20  tot 25 jaar. De minimumlengte van de rekruut bedroeg 1.544 mm. Oorspronkelijk was dat 1.598 mm doch naar mate Napoleon meer behoefte kreeg aan soldaten werd deze in 1805 naar beneden bijgesteld.

Tot ieders verrassing regelde Napoleon bij decreet van 3 februari 1811 de opkomst van 3.000 conscrits (dienstplichtigen) van de Klasse 1808 met geboortejaar 1788. Daarvan moesten 2.000 bij de landmacht en 1.000 bij de marine dienen. In totaal werden in 1811 uit verschillende lichtingen meer dan 10.000 jonge Nederlanders opgeroepen. De verdeling van het aantal op te komen dienstplichtigen ging naar rato van het inwonertal van de verschillende departementen. Het departement Holland telde in 1811 ruim 1.7 miljoen inwoners, Friesland ruim 175.000. Ferwerderadeel was op 1 januari 1811 verdeeld in drie afzonderlijke gemeenten, op zijn Frans mairies genoemd. Ferwerd met 1.196, Marrum met 1.092 en Hallum met 1.606 inwoners. Wie voor actieve dienst kon worden opgeroepen werd bepaald door loting: de laagste nummers eerst. De loting vond doorgaans plaats op de Mairie (it Gritenijhûs) maar soms ook op de bovenzaal van de lokale herberg. Daar zullen de gelukkigen die waren uitgeloot er eentje (of meer) hebben genomen terwijl anderen er vermoedelijk de eerste contacten legden om een remplaçant te regelen. Aan het lotingsysteem kwam trouwens pas in 1938 een einde.

Een dienstplichtige hoefde niet in persoon in actieve dienst op te komen. Men had de mogelijkheid op twee manieren een plaatsvervanger te nemen:
- met een niet-dienstplichtige een overeenkomst te sluiten waarbij deze de plaats van de dienstplichtige innam. De plaatsvervanger, remplaçant genoemd, mocht niet ouder zijn dan 35 jaar en van goed gedrag en goede gezondheid zijn. Was hij minderjarig, dan moesten zijn ouders of zijn voogd toestemming geven of, in het geval van een huwelijk, zijn echtgenote.
- nummerwisseling waarbij twee dienstplichtigen van dezelfde lichting waren betrokken. Zij moesten in hetzelfde kanton wonen. De drie genoemde Mairies behoorden tot het kanton Hallum. Bij nummerwisseling werd een lot met een lager nummer geruild tegen een lot met een hoger nummer. Dit in de verwachting dat het lager nummer zou worden opgeroepen. De overeenkomst van nummerwisseling werd ten overstaan van een notaris gesloten en behoefde de goedkeuring van de Raad van Rekrutering.
Voor beide overeenkomsten werden soms hoge bedragen betaald. Het hoogste in Friesland bekende bedrag was 4.200 gulden. Een kapitaal voor die tijd. Het vervangingssysteem werd pas in 1898 afgeschaft. Het betekende veelal dat de beter gesitueerden zich van de opkomst in actieve dienst konden vrijkopen. Echter, niet van de dienstplicht. De conscrit (dienstplichtige) bleef verantwoordelijk voor zijn vervanger. Als bijvoorbeeld de vervanger deserteerde dan moest de dienstplichtige zelf opkomen. In het leger van Napoleon was de desertie groot, vooral tijdens de Veldtocht naar Rusland in 1812.

In de tijd van Napoleon moest de conscrit zich eerst op het gemeentehuis van zijn mairie laten inschrijven in het zogenaamde “journal du maire”. Daarbij kon de conscrit aangeven wat zijn lichaamsgebreken waren en/of hij in aanmerking kwam voor een vrijstelling. Uit het journaal werd een alfabetisch register, de “liste alphabétique des conscrits”, samengesteld. Deze beide formulieren zijn gelukkig over de periode van Napoleon 1810-1813 voor een deel in de gemeente Ferwerderadeel bewaard gebleven. Hierna vond de keuring en loting plaats. Beide gegevens werden op het alfabetisch register aangetekend. Van de loting werd een aparte “liste de tirage”, lotingslijst, opgesteld die helaas in Friesland niet bewaard is gebleven. Na verloop van tijd kreeg de daarvoor aangewezen dienstplichtige een mededeling zich op de daarin genoemde plaats en tijd te melden. Dat was steevast ’s morgens vroeg op het Toernooiveld te Leeuwarden. Dat veld bevond zich bij de huidige ingang van de Prinsentuin te Leeuwarden, tegenover de Doelestraat i.c. de gebouwen van de Fryske Akademy.

Hoeveel Nederlanders in de Franse krijgsmacht hebben gediend is niet precies bekend. Zij dienden niet alleen in de landmacht en marine doch ook in de zogenaamde Garde Soldée in de grote steden - met als doel om daar eventuele onlusten de kop in te drukken - in de Nationale Garde, als kustkanonniers, scheepstimmerlieden, bakkers te velde en aardwerkers. De laatsten werden aan het werk gezet bij de fortificaties te Den Helder en op Texel, te vergelijken met de putjesscheppers in de laatste wereldoorlog. Geschat wordt dat aldus ongeveer 35.000 Nederlanders op een totale bevolking van 1,7 miljoen in 1811, in de Franse krijgsmacht hebben gediend. Daarvan ongeveer 28.000 bij de landmacht en de marine. Zeker 70% daarvan is niet teruggekeerd. In Friesland werden ruim 3.000 dienstplichtigen en vrijwilligers gevonden die in het leger van Napoleon dienden. Ook daarvan keerde ruim 70% niet terug. In sommige gezinnen zelfs twee zonen.

Er waren ook die probeerden aan de loting te ontkomen door onder te duiken. De dienstweigeraar Jilke Postma uit Balk had zich verschuild in het Rijsterbos, werd door verraad ontdekt en door de gendarmes - waaronder ook Nederlanders - aan de staart van een paard gebonden en naar Sloten gevoerd. Zeg maar gesleept. Daar is Jilke niet levend aangekomen. Voor zover bekend was hij de enige dienstweigeraar in Friesland die het leven liet. Ook elders werden ondergedoken dienstweigeraars door verraad opgepakt. Gelukkig niet met hetzelfde gevolg als bij Jilke Postma.

Terug naar Ferwerderadeel: Offe Jurjens Mellema, schipper te Marrum, verzoekt zijn inmiddels in actieve dienst getreden zoon Jan Offes van de lichting 1809 lot nr.29 alsnog van dienst vrij te stellen. Offe Jurjens wijst erop dat Pieter Jans van dezelfde lichting met lot nr.28 ten onrechte is vrijgesteld. Dit omdat zijn vader Jan Keimpes de leeftijd van 71 jaar heeft bereikt. In dergelijke gevallen gold vrijstelling voor de dienstplichtige zoon. Offe Jurjens beweert echter dat Jan Keimpes nog geen 71 jaar is en zijn zoon Pieter Jans ten onrechte is vrijgesteld. Daarmee tracht Offe Jurjens te bereiken dat Pieter Jans alsnog in dienst moet en zoon Jan Offes uit de dienst kan. Offe Jans Mellema en zoon Jan vangen echter bot. Vader Jan Keimpes blijkt wel degelijk 71 jaar oud te zijn.

De roep om ‘kanonnenvoer’ was groot. Er waren zelfs 125 Friese weesjongens, in de leeftijd van 11 - 14 jaar, die naar Versailles werden gebracht om ingedeeld te worden bij het regiment "Pupillen van de Keizerlijke Garde". Dit overkwam ook de in 1790 te Ferwerd geboren Douwe Dirks Sytsma. Hij was als weesjongen al enkele jaren vóór de eerste lichting dienstplichtigen in dienst bij een onbekend legeronderdeel. Mogelijk bij het eerder genoemde regiment der Pupillen. Overigens moesten alle weesjongens van 16 jaar en ouder zonder meer opkomen. De weeshuizen raakten daardoor aardig leeg en zo ging het dubbelop: meer soldaten en minder onkosten voor de wezenzorg. Daarbij werd vergeten dat de burgerweeshuizen financieel niet van de overheid afhankelijk waren. Zij hadden grote bezittingen zoals boerderijen en land. Ook de gealimenteerden, de armlastigen, werden voor dienstneming onder Napoleon gestrikt.

In het hierna volgende overzicht treffen we 121 namen aan van lotelingen - dan wel hun plaatsvervangers - die in het leger van Napoleon hebben gediend of daar op één of andere manier mee te maken hebben gehad. Door het ontbreken van doorslaggevende gegevens kan niet bewezen worden dat alle plaatsvervangers ook daadwerkelijk zijn opgekomen.
Vrijwel zeker is dat 44 van de 121 genoemden niet zijn teruggekeerd. Zij sneuvelden in veldslagen of overleden in hospitalen aan de indirecte gevolgen van de oorlogshandelingen (verwondingen en infectieziekten). Sommigen werden als "vermist" opgegeven, wat in feite op hetzelfde neerkomt. Van een aantal is bekend dat zij terugkeerden, maar bij evenzo velen staat niets vermeld. Te vrezen is dat ook zij "yn ‘e frjemdte" zijn gebleven.
Het overzicht werd beschikbaar gesteld door wijlen dhr. J.A. Paasman uit Bergum waarvoor wij hem uiteraard blijvend erkentelijk zijn. Tijdens zijn leven deed hij onderzoek naar Friesland in de periode 1810-1813 en schonk daarbij ook aandacht aan de militairen in het leger van Napoleon. Indien u gegevens overneemt uit zijn overzicht vergeet dan niet om hem als bron te vermelden !

Tot slot: in het gemeentelijk archief te Ferwerd is een document te vinden uit 1809 dat wij u niet willen onthouden. Het is getiteld "Reglement ter executie van 's Konings Decreet, van den 4den Januarij 1809, No. 5, houdende bepalingen omtrent het huisvesten en voeden der Troepen, wanneer dezelve zich binnen het Rijk op marsch bevinden" en geeft een indruk omtrent de wijze waarop logistieke problemen in het leger van Napoleon werden opgelost.



Met dank aan:

J.A. Paasman (
) - Andries Dijkstra - Klaas Leen