HET ARMHUIS VAN HALLUM
 


 

Een bloemlezing uit de "Notulen van het verhandelde in de vergaderingen
van regenten van het armhuis te Hallum" over de periode 23 mei 1887 - 5 februari 1908.


De eerste vergadering van "dit bestuur, als einde van de reorganisatie van het Burgerlijk Armbestuur zoals voorbereid bij raadsbesluit van 18 november 1884" werd gehouden op "maandag, den 23 mei 1887, des namiddags 5 uur, inzake voornoemd gesticht. Tegenwoordig zijn de heren H.P. Hoogland, Y.J. Kooistra, S.S. Minnema, R.H. Talsma en F.C. Wiesenhaan". Laatstgenoemde werd met 4 stemmen benoemd als voorzitter. Een maand later werd de heer H.P. Hoogland met 4 stemmen benoemd als secretaris. Vervolgens werd een aantal werkwijzen en reglementen vastgesteld. Ondermeer een huishoudelijk reglement "regelende de verplichtingen van de vader en moeder en de verpleegden in het gesticht". De regenten vergaderden maandelijks in het armhuis en waren bij toerbeurt gedurende een week belast met het toezicht. Het bestuur "nieuwe stijl" startte met het voorbereiden van een sollicitatieprocedure voor een nieuwe armvader en -moeder. Aan de toenmalige armvader Pieter Rochus Bloemsma en zijn echtgenote Grietje Aukes Dijkstra werd met ingang van 1 juli 1887 een pensioen toegekend à fl. 150 per jaar. Ook waren er plannen voor een verbouwing en aan de gemeentearchitect werd opdracht gegeven om een "plan van verandering plus begroting op te stellen". Aan de NH kerk en de Chr. Gereformeerde gemeenten te Hallum werd verzocht om kosteloos zitplaatsen aan te wijzen voor de verpleegden in het gesticht. Voorts werd de 14-jarige Thijs Kuiphof in de vergadering ontboden. Hem werd aangeraden om een plaatsing buiten het armhuis te gaan zoeken. Het waarom staat in de notulen niet vermeld. Waarschijnlijk vond men dat hij meer in zijn mars had. In ieder geval verliet hij in januari 1888 het armhuis om dienst te nemen bij de marine door plaatsing op de (marine)kweekschool te Leiden. Het moge duidelijk zijn: de regenten van het armhuis hielden zich bezig met vele zaken, zowel grote als kleine.

Tijdens de vergadering op 7 juni 1887 bleek dat 50 sollicitanten zich hadden gemeld voor de functie van armvader en -moeder. Er werden 6 echtparen geselecteerd en uitgenodigd voor een kennismaking ten huize van kastelein H. Schaap te Leeuwarden. Allen kwamen van buiten de gemeente Ferwerderadeel. Het viel nog niet mee om tot een goede keuze te komen. De ene was hardhorend en daarom ongeschikt, of de man kwam te zachtzinnig over, de vrouw was te tenger en te zwak, dan wel had men de indruk dat de vrouw niet de properste was. Uiteindelijk waren de regenten het er over eens dat de uit Harlingen afkomstige Yme de Groot en zijn vrouw beiden een gunstige indruk achterlieten en zij werden uitgenodigd om het armhuis te komen bezichtigen. Echter, Yme de Groot bedankte voor de functie als het salaris van maximaal fl. 200 per jaar niet verhoogd werd. Dat ging niet door waarop regent Minnema voorstelde om echtelieden uit Hallum in aanmerking te laten komen. Twee echtparen kregen een uitnodiging voor een gesprek. A. Dijkstra en zijn vrouw werden zeer geschikt geacht, maar hij bleek evenwel voor de administratie zeer ongeschikt. Tjeerd van der Leest en zijn vrouw Aaltje Halma daarentegen werden beiden, alhoewel jeugdig, zeer geschikt bevonden en werden benoemd voor de duur van 1 jaar.

Op 9 juli van dat jaar bogen de regenten zich over de brutale wijze waarop Jacob Wierstra had geweigerd om zijn verdiensten op te geven. Hij werd ter verantwoording geroepen, bood zijn verontschuldigingen aan, beloofde beterschap en mocht blijven. Aan een andere bewoonster, mevrouw Visbeek, werd medegedeeld dat haar man, na ontslag uit de gevangenis, niet in het armhuis mocht worden opgenomen. Een drietal weken later bleek dat het hem op een of andere manier toch gelukt was om een plek in het armhuis te bemachtigen en dat hij vervolgens weigerde om goedschiks met zijn gezin het armhuis te verlaten. Uiteindelijk werd hem toestemming verleend om voorlopig in één van de bijlokalen te verblijven. Zo nu en dan maakten de regenten een rondgang door het armhuis "alwaar de verpleegden juist aan de maaltijd zaten. Het verstrekte voedsel viel de meerderheid van de regenten niet mee". Ten aanzien van het eerdervermelde verbouwplan stelden de regenten vast "dat het vertrek bestemd tot opname van zonder woning zijnde gezinnen dusdanig primitief dient te zijn dat deze gezinnen zo spoedig mogelijk een andere woning zullen zoeken".

Bij tijd en wijle voelden de regenten zich gedwongen tot het treffen van disciplinaire maatregelen. "Vanwege zijn brutaal gedrag, de orde in het gesticht te verstoren, alsmede zijn weigerachtig gedrag om zijn verdiensten te verantwoorden alsmede andere verpleegden tot verzet aan te zetten wordt besloten om G. van Kollen uit het gesticht te ontslaan ondanks zijn leeftijd". In de ogen van de regenten had hij het wel erg bont gemaakt, want een later verzoek van van Kollen om weer opgenomen te mogen worden werd afgewezen omdat hij als "onverbeterlijk" werd beschouwd.
Het opgeven van verdiensten door de verpleegden, wat moet worden verstaan als het wekelijks innen van het door hen verdiende geld waarbij zij 10% van de verdiensten zelf mochten houden, liep als een rode draad door vele vergaderingen. Tegen deze gang van zaken bestond veel weerstand. De armvader werd veelal belast met de ondankbare taak van controle op -en het innen van- deze verdiensten. De regenten waren namelijk van mening dat zij zelf niet te veel met de verpleegden in contact moesten komen.

In oktober 1887 werd de verbouwing aanbesteed. Er waren 4 gegadigden, te weten: J.S. Mellema uit Marrum, M. Holwerda uit Hijum, AE.L. Hiemstra en J.R. Jansma uit Hallum. Het werk werd gegund aan de laagste inschrijver AE. L. Hiemstra om voor fl. 645,00 het werk in 7 weken op te leveren. Ook de aardappelen, waarvan de prijzen laag waren, werden bij een openbare aanbesteding voor 200 korf aangeschaft. De levering werd gegund aan S. Hofman te Hallum voor fl. 1,40 per hectoliter en zijn aardappelen werden "naar genoegen ontvangen".
Ter gelegenheid van de Hallumer kermis in november 1887 werd, zoals gewoonlijk, een stuk koek aan de verpleegden uitgereikt. Echter, de voorzitter was daar geen voorstander van omdat dit onlangs ook al was gebeurd met daarbij ook nog chocolademelk, bij de installatie van de nieuwe armvader en armmoeder. Enkele verpleegden hadden zich bij die gelegenheid niet correct gedragen. Er werd besloten om toch maar koek uit te delen "doch degenen waarover klachten waren daarvan uit te sluiten". Vervolgens werd gediscussieerd over de wijze van straffen. Minnema, Talsma en Hoogland vonden dat alleen degenen die straf verdienden dat ook moesten krijgen. Wiesenhaan en Kooistra verklaarden zich daar in beginsel wel mee akkoord, maar de straf zou op alle verpleegden moeten doorwerken, zodat daar een corrigerende werking vanuit de verpleegden zelf vanuit zou gaan. Eveneens werd tijdens een vergadering opgemerkt dat "niets doen door verpleegden die nog werkkracht hebben verkeerd is". Maar tot welke werkverschaffing dit moest leiden was "hoogst moeilijk te beslissen". In een volgende vergadering zou dit opnieuw aan de orde komen.
Armvader van der Leest deed de uitspraak "dat er niet voor gezorgd kan worden, althans niet voldoende, om het plegen van ontucht en het begaan van wanordelijkheden te voorkomen". Dit leidde tot het nemen van een aantal maatregelen. De "privé’s" (toiletten in de vorm van ‘húsketonnen’) werden afgesloten en de sleutel was aanwezig op de zaal van de verpleegden. Er werd onderzocht of één van de verpleegden als toezichthouder kon worden aangewezen en of er een houten schutting kon worden geplaatst. Hierdoor werd het zicht ontnomen op de ‘húskes’, welke zich buiten het gebouw op het erf bevonden.

Begin 1888 werden de aftredende voorzitter (Wiesenhaan) en secretaris (Hoogland) opnieuw gekozen. Duidelijk werd ook dat het niet gelukt was om een geldlening af te sluiten om het verbouwplan te financieren. Dus moest daarin op een andere wijze worden voorzien. Op grond van het raadsbesluit d.d. 28 juni 1887 van de gemeente Ferwerderadeel, waarbij was besloten "dat er voor de gemeente nog maar 1 armhuis zou bestaan", waren de armhuizen van Ferwerd en Blija "nodeloos geworden". Alle verpleegden uit Ferwerd en Blija waren inmiddels opgenomen in het Hallumer armhuis. Omdat daarmee het armbestuur te Hallum tevens de verplichtingen van hun collegae te Ferwerd en Blija hadden overgenomen, oordeelden de regenten dat men gemachtigd was om de niet meer in gebruik zijnde gebouwen aldaar te verkopen en de kosten van de verbouwing daaruit te betalen. Echter, het gemeentebestuur dacht daar ietwat anders over en bestreed de overdracht van het armhuis te Ferwerd. Om deze reden werd besloten om eerst alleen het armhuis te Blija te verkopen. Een half jaar later deelden de regenten aan de gemeenteraad mee dat, nu er nog steeds geen besluit was genomen over het ter beschikking stellen van het armhuis aldaar, men ook afzag van aanspraak op het armhuis te Blija. Maar, men bleef wel met elkaar in gesprek. Op 25 augustus 1888 vond in het armhuis een zogenaamde "comparitie" plaats met de raadsleden Bouma, Jensma, Boersma, Sytsma, van Dijk, Stienstra en Miedema. Zij kregen een rondleiding door het armhuis en spraken zich "positief uit over wat er al is verbeterd en de plannen welke men nog heeft". Twee gezinnen die in de bijgebouwen woonden stonden bekend als "slechte individuen en dienen daar uit verwijderd te worden, ook omdat de gebouwen onbewoonbaar zijn". De regenten wilden hen verplaatsen naar het voormalige armhuis te Blija. De discussie hierover werd echter "vanwege de aanwezigheid van de raadsleden gestaakt".

Medio 1888 werd door de regenten nog eens heel duidelijk gesteld dat de armvoogdijen (uit de verschillende dorpen) behoeftigen in spoedeisende situaties wél mochten toelaten in het armhuis, maar dat op de uiteindelijke aanvraag voor plaatsing door niemand anders dan de regenten werd beslist!
Aan armvader van der Leest, zijn aanstelling was inmiddels met een jaar verlengd, werd opgedragen om de orders van de regenten stipt op te volgen. Daarbij ging het ondermeer om goederen, welke door opgenomen verpleegden werden meegebracht, in bewaring te nemen. Dit kon om van alles gaan, een kastje, een bed, maar ook kleding of in een enkel geval sieraden. Men wilde de verpleegden zo veel mogelijk gelijke kleding laten dragen. Bij overlijden van een verpleegde mochten diens bezittingen tegen betaling aan de erfgenamen worden afgegeven. De regenten bepaalden de hoogte van het bedrag. Zo mochten de goederen van wijlen Wagenaar "welke van weinig waarde zijn, tegen betaling van fl. 3,00 aan de familie worden afgegeven". Terwijl de goederen van wijlen Lelia aan de erfgenamen mochten worden meegegeven indien zij de kosten van de lijkkist à fl. 8,00 betaalden. Later werd als regel vastgesteld dat zodra de familie in de begrafeniskosten had voorzien, de goederen aan hen konden worden meegegeven.